De helpers van de bezetter
Na de joden en zigeuners vielen in Beek de meeste slachtoffers  onder degenen die in dienst waren van de bezetter. Twee Beekse jongemannen, die de Duitse nationaliteit hadden, sneuvelden in dienst van de Wehrmacht. Drie mensen met de Nederlandse nationaliteit kwamen niet terug van het Oostfront, waar zij dienden als vrijwilliger bij de Waffen-SS.

In Beek woonde een vrij grote groep Rijksduitsers. Dat waren voor het merendeel gewone Beekenaren, die met tegenzin gehoor gaven aan de oproep hun dienstplicht voor de bezetter te vervullen. Beide gesneuvelden behoorden tot deze groep.

Daarnaast was er een aantal Duitse ingezetenen die met overgave de kant hebben gekozen van hun land van herkomst. Zeven van hen werden na de bevrijding gezocht als 'oorlogsmisdadigers', een zware term voor de in het algemeen lichte vergrijpen die hun ten laste waren gelegd. Vooral als bewakers op de Staatsmijn Maurits hebben zij veel last veroorzaakt aan mensen die door sabotage of stakingen iets wilden doen voor de nationale zaak.

Daar staat tegenover dat het ook een Rijksduitser was, die een der mooiste daden uit de oorlog heeft verricht. Frits Linke uit de Kloostersteeg deserteerde uit de Wehrmacht. Om zijn eigen leven te redden dook hij onder in een plaggenhut in de Peel. Toen het leven van Mannela Franz, de uit Beek aan de deportatie ontkomen zigeuner, ernstig gevaar liep, vond deze veiligheid bij Frits Linke in diens hut.

Er waren in Beek tamelijk veel N.S.B.-ers. In 1935 had in Beek 11.8 procent van de kiezers gestemd op de N.S.B., en in Spaubeek 6.7 procent (landelijk 8 procent). Ongeveer 80 personen, 1 procent van de bevolking, is lid geweest van die partij (landelijk 0.9%). Ook door leden van deze groep zijn wandaden begaan. Met uitzondering van burgemeester Regout heeft Beek echter geen oorlogsmisdadigers gekend.

Minstens zes Beekenaren namen vrijwillig dienst in de Waffen-SS. Vrijwillig, maar ook redelijk toevallig, omdat ze uit N.S.B.-gezinnen kwamen, of omdat ze op deze manier een puberteitsconflict met hun opvoeders uitvochten. De tol die zij in Rusland betaalden was vreselijk: drie jongens sneuvelden. De anderen kwamen terug, ziek, uitgehongerd, en … uitgekotst.

De tol was hoog, ook voor de overlevenden. Helpers van de gehate Mof, en met hen meisjes die de pech hadden gehad verliefd te raken op een Duitse soldaat, werden na terugkeer veracht, vernederd, langdurig gevangen gezet en uitgestoten uit de dorpsgemeenschap. Nog dertig jaar na de oorlog was het een gestigmatiseerde groep. Het was vreselijk voor hen en het kwam nooit meer goed, maar dat was in Beek niet anders dan elders in Nederland.
Frits Linke
August Regout
(Bron: Wat Baek ós bud, nr. 17: Een voetnoot bij de Wereldgeschiedenis. Beeks tijdens de Tweede Wereldoorlog.)