De Holocaust in Beek
Van de 26 joden die in Beek woonden toen de jodenvervolging begon, zijn er 10 gedeporteerd en vermoord: 38 procent. In een overzicht van Henk Flap uit 1997 worden 53 Nederlandse gemeenten met elkaar vergeleken. In geen enkele van deze gemeenten was het percentage vermoorde joden zo laag als in Beek. In heel Nederland is ongeveer 75 procent van de joden vermoord. Voor Maastricht, Sittard en Heerlen zijn de percentages respectievelijk 71, 93, en 83.

Beek heeft dus, gezien de cijfers, goed gezorgd voor zijn joodse burgers. Getallen kunnen bedrieglijk zijn, immers op een aantal van 26 joden vertegenwoordigt een persoon al gauw vier procent van een populatie. Maar de stelling wordt alleszins bevestigd als men de geschiedenis van de Joden in Beek van persoon tot persoon onderzoekt.

Voor een deel ligt de verklaring in het feit dat er in Beek slechts een kleine groep joden woonden, die goed waren geïntegreerd, normaal participeerden in het gemeenschapsleven, en soms door familiebanden waren verbonden met de niet-joodse bevolking. Toch is dit niet de hele verklaring. Beek heeft goed gezorgd. Dit feit krijgt des te meer glans, als we in aanmerking nemen dat in Beek gedurende de hele periode van de jodenvervolgingen een N.S.B.-burgemeester aan het hoofd stond. Burgemeester Smalbach (december 1941 tot juli 1943) staat bekend als weinig fanatiek. Niettemin was hij het, die het vluchtelingengezin Steinberg uit hun huis zette, om er vervolgens zelf in te trekken. Hij was het ook die in juni 1942 een joodse man liet arresteren en deporteren, omdat hij 'illegaal' en zonder jodenster in Beek verbleef. Door Beekse politieagenten, en onder Smalbachs verantwoordelijkheid, werden acht leden van de gezinnen Benedik, van der Horst en Wolf gearresteerd. Zij overleefden hun deportatie naar Auschwitz en Sobibor niet. De opvolger van Smalbach, Regout (oktober 1943 tot september 1944), staat wel als fanatiek bekend, maar heeft, voor zover bekend, geen joden laten arresteren. Wel zigeuners, maar daarover later meer.

In het licht van de voortdurende aanwezigheid van een N.S.B.-er als burgemeester is het grote percentage overlevenden van de Holocaust bijzonder. Wij hebben gegevens uit de archieven, en uit interviews die erop wijzen dat ALLE Beekse joden op zijn minst een AANBOD hebben gehad tot hulp door hun niet-joodse dorpsgenoten. Allen, behalve het eerder genoemde echtpaar Steinberg, dat reeds uit Beek was verhuisd, toen de deportaties begonnen.

De onderduikers, 3 gezinnen en 3 individuele personen, vonden veiligheid bij Beekenaren of elders, met de hulp van Beekenaren. Op de acht vanuit Beek gedeporteerden werd vergeefs aandrang uitgeoefend om onder te duiken. Van de meesten weten we, en van de overigen vermoeden we, dat ze bovendien gewaarschuwd werden door gemeenteambtenaar Willy Sangers voor de op handen zijnde vervolgingsmaatregelen.

Willy Sangers was ongetwijfeld een bijzonder man. Hij was een der zes ambtenaren die werkten in het gemeentehuis van Beek. Hij deelde zijn werktafel met een pro-Duitse collega, en de burgemeester keek hem op de vingers. Onder hun ogen deed hij zijn werk. Hij was een vraagbaak voor iedereen in Beek, die als gevolg van de oorlog in de problemen zat. Hij produceerde valse persoonsbewijzen, vaak op naam van een overleden leeftijdsgenoot van de aanvrager. Via verzetsgroepen wist hij aan extra bonnen te komen voor onderduikers. Hij waarschuwde burgers voor op handen zijnde razzia’s. Hij maakte zelfs mensen medisch ongeschikt voor de Arbeitseinsatz door hun 'eczeem' te bezorgen met een speciaal smeerseltje. Sangers zat op een strategische plek en wist daar ten volle gebruik van te maken. Hij was een nauwgezet ambtenaar, maar op het juiste moment wist hij de gemeentelijke bevolkingsadministratie te veranderen in een chaos. Jaren na de oorlog had men daar nog last van.Veel mensen hebben van zijn werk profijt gehad, in het bijzonder de joden. Waarschijnlijk heeft hij allen gewaarschuwd. Hij heeft hen dringend geadviseerd om onder te duiken. Zonodig regelde hij valse papieren. In meerdere gevallen heeft hijzelf de onderduik mee georganiseerd.

De Holocaust is in Beek dus allerminst 'normaal' verlopen. In Nederland als geheel was deportatie de regel, onderduiken de uitzondering. In Beek was het omgekeerd: een situatie, die meer lijkt op die in België en Frankrijk, waar respectievelijk 59 en 74 procent van de Joden werd gered.

De Holocaust is in Beek nog in een ander opzicht ongewoon verlopen. Van de 254 zigeuners, die uit Nederland naar Auschwitz weden gedeporteerd, waren er negen gearresteerd door de politie in Beek. Het bevel tot deportatie van de zigeunerbevolking kwam pas laat in de oorlog. Eerst moest de joodse klus worden geklaard. Zigeuners stonden, in tegenstelling tot de joden, niet als zodanig geregistreerd. Om hen te kunnen vangen hadden de Duitse autoriteiten de hulp nodig van de Nederlandse gemeentebestuurders. Er waren burgemeesters die - in strijd met de waarheid - meldden dat binnen hun gemeentegrenzen geen zigeuners verbleven. De burgemeester van Sittard bijvoorbeeld handelde aldus, en liet enige dagen voor de razzia een zigeunerjongen, die zat ingesloten wegens diefstal, vrij uit de politiecel. Burgemeester Regout daarentegen werkte volop met de bezetter mee. Hij liet zijn politieambtenaren negen leden van het gezin Franz arresteren, en naar Westerbork brengen. Zes van hen kwamen om. Het tiende lid van de familie wist te ontsnappen en vond een veilig onderduikadres bij de gedeserteerde Duitse soldaat Frits Linke.

Hoewel de Holocaust dus in Beek een allesbehalve gemiddeld karakter had, verliep de terugkeer en de opvang van de overlevenden in de samenleving wel volgens het in Nederland normale patroon. En dat is niet iets om trots op te zijn.
De drie overlevende zigeuners, die uitgemergeld en ziek uit de kampen kwamen, kregen geen ondersteuning. Zij waren immers 'statenloos'. Hun voedsel kregen ze via familie of door te bedelen. Overigens hebben zij, voor zover wij weten, niet om hulp gevraagd bij de gemeente Beek.

Ook de 4 teruggekeerde joden werden slecht opgevangen bij hun terugkeer in Beek. Alle vier de teruggekeerde kostwinners moesten veel moeite doen hun woning terug te krijgen. Alfred Benedik en Louis de Leeuw vonden hun woningen bewoond door anderen. Pas na twee jaar harde juridische strijd gelukte het hen ze terug te krijgen. Slager Ber Meijer slaagde daar zelfs tijdens zijn leven helemaal niet in. Zijn huis was toegewezen aan een andere slager, wiens bedrijf in 1942 was gebombardeerd Deze weigerde het huis te verlaten. Pas na de dood van haar man in 1953 kreeg mevrouw Meijer de woning terug. Het pand, waarin de familie Kanarek haar kruidenierswinkel had gehad, was gehuurd van de in Sobibor vermoorde joodse weduwnaar Joep Wolf. Na de onderduik van Frans Kanarek had Wolf het huis voor een veel te lage prijs verkocht (moeten verkopen?) aan N.S.B.-burgemeester Smalbach. Mevrouw Kanarek woonde tot haar onderduik in bij Wolf. Smalbach had de woning doorverkocht aan een N.S.B.-er, die er een bedrijf had gevestigd. Na de oorlog volgde een bittere juridische en persoonlijke strijd. Mevrouw Kanarek wilde haar huis terug, de erven Wolf wilden rechtsherstel voor de te lage verkoopprijs, en de ex-N.S.B.-er weigerde te vertrekken. Jarenlang moest mevrouw Kanarek het huis delen met de nieuwe bewoners, terwijl de beide onderdelen van de woning gescheiden waren door golfplaten. Ook financieel was Beek niet gul voor de teruggekeerden. Mevrouw Kanarek vroeg tevergeefs om een voorschot van duizend gulden om haar winkel weer te kunnen opstarten. Uiteindelijk leende ze het geld van haar dienstbode. Meijer en Benedik kregen evenmin een gemeentelijke lening, en moesten geld lenen van een paar zakenrelaties, die als veeboer werkzaam waren.

Voor degenen die werden vervolgd om hun 'ras' was Beek een apart geval in de oorlog. De moeite waard om niet te vergeten.

Clara Van der Horst met haar kinderen Branca en Karel in augustus 1940.
(Bron: Wat Baek ós bud, nr. 17: Een voetnoot bij de Wereldgeschiedenis. Beeks tijdens de Tweede Wereldoorlog.)

Een straatbord maakte in 1941 melding van 'Beperkte bewegingsvrijheid voor Joden'
(Bron: Heemkundevereniging Beek)
Willy Sangers
(Bron: Wat Baek ós bud, nr. 17: Een voetnoot bij de Wereldgeschiedenis. Beeks tijdens de Tweede Wereldoorlog.)
De zussen Franz, van links naar rechts:

  • Elisabeth (Mady/Medie)
  • Cecilia (Zilla)
  • Agnes (de vrouw van Mannela)
  • Paul (Buntla)
De oudste zus Brigitte staat niet op de foto.
Franz Kanarek
(Bron: Eyewitness museum)