Burgemeesters in oorlogstijd
De Nederlandse regering (Koningin en kabinet,) was in mei 1940 gevlucht. Het nieuwe Duitse bezettingsbestuur stelde zich ten doel om de democratie uit te schakelen, en het land te besturen volgens het zogenaamde ‘Leidersprincipe’.

De Commissaris van de Koningin in de provincie Limburg, mr. dr. Willem van Sonsbeeck, werd gedwongen in februari 1941 met vervroegd pensioen te gaan. In zijn plaats benoemde Rijkscommissaris Seyss-Inquart Graaf Max de Marchant et d’Ansembourg tot ‘Commissaris der Provincie’.

De nazi en antisemiet Marchant wenste ook in Limburg het Leidersprincipe in te voeren. Er was geen plaats meer voor democratie, verkiezingen en volksvertegenwoordigingen. Provinciale Staten en gemeenteraden werden ontbonden. In de gemeenten kwam het ‘leiderschap’ te berusten bij de burgemeester, die bovendien moest samenwerken met de gehate N.S.B. Veel burgemeesters in Limburg vatten dit op als een eis om te collaboreren en traden af in de maanden na augustus 1941.

Dat deed ook de toenmalige Beekse burgervader: Johannes Josephus (Joop) van Sonsbeeck. Hij trad af op 4 december 1941 en bleef als ambteloos burger wonen in Beek in de mergelvilla aan de Maastrichterlaan. Na de bevrijding hervatte hij zijn functie weer maar helaas stief hij al op jonge leeftijd op 10 oktober 1946.

Het gevolg van de principiële beslissing van Van Sonsbeeck was de benoeming van de N.S.B.-er G.J.P. (Paul) Smalbach uit Vaals als burgemeester in Beek, die het dorp bestuurde van 2 februari 1942 tot 22 juni 1943, toen hij promoveerde naar een burgemeesterspost in Valkenburg-Houthem. Smalbach genoot een zekere waardering in Beek omdat hij relatief mild optrad. Hij begon zijn ambtsperiode echter met het verjagen van het joodse echtpaar Steinberg, omdat hij hun woning aan de Maastrichterlaan wenste te gebruiken als ambtswoning. Het was ook Smalbach die ‘plichtsgetrouw’ de joden van Beek probeerde te deporteren.

Zijn opvolger vanaf 11 oktober 1943 was de fanatieke nazi A.M.J.A. (August, bijnaam ‘Flip’) Regout. Hij stelde zich agressief op tegenover de bevolking. Hij gaf de opdracht om de Sintifamilie Franz te laten arresteren bij de landelijke razzia op ‘zigeuners’ van 16 mei 1944. De terreur van Regout verergerde naar mate de bevrijding naderde. Op 12 september 1944 nam hij de vlucht, zijn bagage geladen op een kar, die werd getrokken door één van de paarden van de door hem gearresteerde ‘zigeuners’. Aan zijn leven kwam een einde (door een natuurlijke dood) in mei 1945, nadat hij was ontslagen als burgemeester van Wierden.

De meeste Nederlandse burgemeesters bleven, anders dan hun Beekse collega Van Sonsbeeck, in functie. Als ‘burgemeester in oorlogstijd’ moesten zij de hele bezettingstijd laveren tussen gehoorzaamheid aan de bezetter en solidariteit met de bevolking. Deze keus werd gemaakt door J.H.J. (Joseph) Visschers, die van 1934 tot 1962 ononderbroken in functie was als burgemeester van Spaubeek.
Johannes Josephus (Joop) van Sonsbeeck (1906-1946).
(Bron: Katholiek Documentatie Centrum)
Paul Smalbach
(Bron: Nationaal Archief / Tijd te kort. J.J. van Sonsbeeck 1906-1946)
August Regout
(Bron: Wat Baek ós bud, nr. 17: Een voetnoot bij de Wereldgeschiedenis. Beeks tijdens de Tweede Wereldoorlog.)