Het lot van de Beekse joden
Beek kende al sinds de 18de eeuw een kleine joodse gemeenschap, en vanaf 1866 een synagoge aan de Molenstraat. Het aantal joodse inwoners was nooit groter dan ruim 50 (in 1870), waarna het weer daalde tot 20 in 1930. De Joodse Beekenaren waren goed geïntegreerd in de samenleving en deden mee in het rijke verenigingsleven. Allen verdienden hun brood in de handel, de meesten in de handel van vee en vlees.

Toen de nazi’s Nederland binnenvielen, woonden er in Beek 29 joden, van wie er acht Duitse vluchtelingen waren:
  • het gezin Samuel en Luïse Bogen-Hertz en hun dochtertje Ruth was afkomstig uit Erkelenz. De familie was ‘illegaal’ Nederland binnengekomen. Het werd opgevangen door in Beek wonende familie, maar moest al in 1940 verhuizen naar Westerbork, dat toen nog geen joods Durchgangslager was, maar een opvangkamp voor illegale vluchtelingen. Zij werden later vermoord in Auschwitz of in een joods werkcommando.
  • Het bejaarde echtpaar Steinberg-Hertz werd door NSB-burgemeester Smalbach uit hun huis aan de Maastrichterlaan verjaagd. De echtelieden verhuisden naar Grevenbicht en werden later geporteerd naar Sobibor, waar ze beiden werden vermoord.
  • Het gezin Kanarek kreeg hulp van Beekse medeburgers en wist de oorlog te overleven door onder te duiken in Sigarenfabriek Hennekens.
De jodenvervolging in Limburg was in de hele provincie geconcentreerd in twee grote acties. Beide maakten slachtoffers in Beek:
  • Op 25 augustus 1942 moesten vrijwel alle Limburgse joden jonger dan 60 jaar zich melden in Maastricht. In Beek werden de vier leden van de familie van der Horst, en Leo Benedik gearresteerd. De drie mannen stierven in joodse dwangarbeiderskampen en werkcommando’s in Silezië, mevrouw van der Horst en haar gehandicapte dochter Branca werden vermoord in Auschwitz.
  • Op 10 april 1943 moesten alle nog in Limburg wonende joden, voor het merendeel ouderen, ‘verhuizen’ naar concentratiekamp Vught. Op 12 mei stapten zij in Westerbork in de trein naar Sobibor, waar zij op 14 mei werden vermoord. Daarbij waren vijf mensen uit Beek: het echtpaar Benedik-Brückheimer, de weduwnaar Joep Wolf, en het inmiddels naar Grevenbicht verhuisde echtpaar Steinberg.
  • Enkele onderduikers die aan beide acties ontkwamen, werden alsnog slachtoffer van een dramatische razzia op 16 maart 1944.
Gelukkig dook een groot deel van de joden uit Beek onder, steeds met behulp van Beekse vrienden en relaties. Ook niet uit Beek afkomstige joden bleken na de oorlog overleefd te hebben met hulp van mensen in Beek.

Ook de in Beek woonachtige zigeunerfamilie Franz werd gedeporteerd.

Luisterverhaal - De joden van Beek

Luisterverhaal - Wij lieten hen gaan
Een straatbord maakte in 1941 melding van 'Beperkte bewegingsvrijheid voor Joden'
(Bron: Heemkundevereniging Beek)
Luïse Bogen-Hertz en hun dochtertje Ruth
(Bron: Herman van Rens)
Clara Van der Horst met haar kinderen Branca en Karel in augustus 1940.
(Bron: Wat Baek ós bud, nr. 17: Een voetnoot bij de Wereldgeschiedenis. Beeks tijdens de Tweede Wereldoorlog.)
Een herinneringsteen in Sobibor draagt de namen van de 5 Beekenaren die hier op 14 mei 1943 werden vermoord: het echtpaar Benedik-Brückheimer, de weduwnaar Joep Wolf, en het inmiddels naar Grevenbicht verhuisde echtpaar Steinberg.