Razzia in Beek
Giel Lacroix woonde met vrouw Catrien en dochtertje in de Proosdijstraat (nr 15). Tijdens de mobilisatie in 1939-1940 had hij vriendschap gesloten met een joodse jongeman: Herman Ringer uit Den Haag.

Giel kende alle joodse families in Beek, ze woonden vlak bij hem. Hij zag hen in augustus 1942 allemaal verdwijnen uit hun huizen, omdat ze werden gedeporteerd of omdat ze onderdoken. Hij realiseerde zich dat zijn vriend Herman ook gevaar liep en nodigde hem uit om bij hem thuis onder te duiken. Herman kwam, en bracht ook zijn zusje Rosa, haar man en hun drie kleine kinderen Estella, Samuel en Benjamin Meyers mee. De zes onderduikers werden verdeeld over vier gezinnen van de familie Lacroix. Zij konden elkaar regelmatig zien. Herman Ringer en de kleine Samuel, die onder de valse naam Kees de kleuterschool bezocht, bleven in Beek.

Ondertussen praatte in Den Haag een goede bekende van de familie Meyers zijn mond voorbij. Een verrader maakte uit een gesprek op, dat hij wist waar de onderduikers zich bevonden. Na een nacht lang te zijn verhoord door de Haagse politie gaf hij de adressen prijs. Op 20 maart 1944 in de nacht deed de Sicherheitspolizei een inval op de vier adressen en arresteerde de zes onderduikers.

Catrien Lacroix kon niets anders meer doen dan Herman een zak ongesmeerd brood in de handen stoppen en Samuel twee truien over elkaar aantrekken omdat het zo koud was. Via Den Haag en Westerbork gingen de zes op 23 maart als ‘strafgeval’ naar Auschwitz. Rosa en de drie kinderen werden daar vergast. De beide mannen overleefden het kamp. Herman werd bij thuiskomst opgehaald door Giel Lacroix.
Familiefoto van Rosa Meijers-Ringer met haar kinderen Estella (l), Samuel (r) en Benjamin (m).
(Bron: Herman van Rens)
Schoolfoto van Samuel Meijers.
(Bron: Herman van Rens)