Vluchtelingen in Beek
Vanaf 1933 stonden joden in Duitsland bloot aan discriminatie, beroving, vervolging en geweld. Tussen 1933 en 1940 verlieten als gevolg hiervan 350.000 joden Duitsland en Oostenrijk. Aanvankelijk als ‘economische vluchtelingen’, omdat het hen door discriminatie en beroving onmogelijk werd gemaakt de kost te verdienen. Vanaf 10 november 1938 - Kristallnacht  vluchtten zij uit puur lijfsbehoud.

30.000 tot 40.000 joodse vluchtelingen zochten hun heil in Nederland aan. Veel vluchtelingen reisden vervolgens nog door naar andere landen, met name Amerika. Bij de inval van de Duitsers woonden 20.000 vluchtelingen in Nederland. Acht van hen woonden in Beek.

Het gezin Bogen-Hertz was illegaal over de grens gevlucht vanuit Keulen. Ze werden opgevangen in Beek in het huis van een oom. Omdat zij illegalen waren moesten zij al in 1940 verkassen naar het kamp voor illegalen in Westerbork, vanwaar zij later werden gedeporteerd naar Theresienstadt en Auschwitz.

Het bejaarde echtpaar Steinberg uit Hagen woonde in een door hun Nederlandse schoonzoon gehuurd huis aan de Rijksweg, waar zij begin 1942 werden uitgezet via machinaties van N.S.B.-burgemeester Smalbach. Vanuit Grevenbicht werden zij gedeporteerd naar Sobibor.

Het gezin Kanarek uit Hörde integreerde snel in Beek en begon een kruidenierswinkeltje. Zij doken onder in de leegstaande sigarenfabriek Hennekens en wisten zo de oorlog te overleven.
De dag na Kristallnacht

Onderduiker Franz Kanarek