De zigeunerfamilie Franz
Evenals joden heetten ook ‘zigeuners’ van een minderwaardig ras te zijn. Ook zij werden door de nazi’s vervolgd. Maar er waren grote verschillen met de Jodenvervolging. De aandrang om joden te vervolgen kwam van de nazi’s, en de vervolging werd de Nederlandse autoriteiten opgelegd. Bij de zigeuners waren het vaak de Nederlandse autoriteiten die het initiatief namen.

De zigeunervervolging begon ook veel later dan de Jodenvervolging. Er zijn sterke aanwijzingen dat de Europese zigeuners vanaf 1943 in familieverband moesten worden verzameld in een aparte afdeling van het concentratiekamp Auschwitz-Birkenau, om hen later te kunnen dumpen in een afgelegen gebied. Toen dit niet mogelijk bleek als gevolg van het oorlogsverloop, veranderde de zigeunerpolitiek in een echte genocide.
In Nederland was aanvankelijk sprake van discriminatie van alle woonwagenbewoners, niet speciaal van de minderheid Roma en Sinti onder hen. Zij allen waren ‘asocialen, criminelen en arbeidsschuwe elementen’. Pas in 1944 kregen ‘zigeuners’ een plaats in de rassenideologie. Himmler had een bevel doen uitgaan om alle ‘echte zigeuners’ te verzamelen in het Zigeunerlager in Birkenau. Dat leidde tot op 16 mei 1944 tot de enige landelijke razzia op ‘zigeuners’.

Tevoren hadden de burgemeesters een opgave moeten doen van de in hun gemeente verblijvende zigeuners. Op dat bevel was verschillend gereageerd. Er was toen al een duidelijke verwachting dat Hitler de oorlog zou verliezen. Daarom durfden sommige burgemeesters het aan om in strijd met de waarheid te verklaren dat in hun gemeente geen zigeuners woonden.

Anderen maakten van de gelegenheid gebruik om alle woonwagenbewoners, ook de ‘ariërs’ onder hen, op de lijst te zetten. NSB-Burgemeester Regout van Beek diende echter wel een lijst in met tien namen, de artiestenfamilie Franz. De beide ouders met zeven volwassen kinderen bewoonden een grote luxe woonwagen, die een tijdelijke staanplaats had gekregen in een weilandje aan de Stegen. De oudste zoon Mannela Franz woonde met zijn ‘arische’ echtgenote en hun twee kleine kinderen in een huis aan de Kloostersteeg.

Om 4 uur in de nacht rolden twee Beekse politieagenten een rol prikkeldraad uit om de woonwagen. Zij wekten vervolgens de familie en voerden hen naar de marechausseekazerne. De negen leden van het gezin werden door Beekse politiemensen afgeleverd aan de Duitse Sicherheitspolizei en daarna opgesloten in kamp Westerbork. Op 19 mei 1944 vertrokken zij naar Auschwitz. Omdat zij allen jong en sterk waren werden zij doorgestuurd naar een werkkamp. Twee jonge vrouwen en één jongeman kwamen terug in Limburg, de zes anderen vonden de dood in één van de vele nazi-kampen.

Toen de politieagenten bij Mannela Franz aanklopten wist met hulp van zijn vrouw en schoonzusje te ontsnappen uit een zolderraam en vervolgens onder te duiken in de schuilplaats van een eerder ondergedoken Duitse deserteur.

Van de 245 Roma en Sinti die in de nacht van 16 mei 1944 werden opgepakt in Nederland kwamen er slechts 31 weer terug naar huis na de oorlog, waaronder de 3 leden van de familie Franz.

Het huis van Mannela Franz en zijn vrouw staat nog steeds aan de Kloostersteeg (nr. 3). Het raampje waar hij uit klom is nog steeds te zien. Op deze plek bevindt zich een luistersteen van de Liberation Route.

Ter nagedachtenis aan het lot van de familie Franz is langs De Stegen een monument opgericht op de plek waar hun woonwagen stond.
De broers Franz, van links naar rechts:
  • Peter (Peppie)
  • Hans (Leutze)
  • Shanni
  • Jozef (Mannela)
  • Willie (Eifa)
De zussen Franz, van links naar rechts:
  • Elisabeth (Mady/Medie)
  • Cecilia (Zilla)
  • Agnes (de vrouw van Mannela)
  • Paul (Buntla)
De oudste zus Brigitte staat niet op de foto.
Het monument dat is opgericht ter nagedachtenis van de familie Franz. Op de sokkel staat de tekst 'Wij lieten hen gaan'.