Werktuigen die archeologen niet terugvinden
Om te reconstrueren hoe mensen in het verleden leefden, hoe ze woonden, welke werktuigen ze gebruikten, enz. zijn archeologen aangewezen op de materiële sporen die ze van die mensen aantreffen in de bodem. Maar aangezien veel materialen volledig in de grond vergaan is dat wat archeologen terugvinden altijd maar een beperkt deel van het verleden.

Dat geldt zeker voor gebruiksvoorwerpen. Steen en vuursteen blijven weliswaar goed bewaard, en aardewerk meestal ook (weliswaar in scherven). Maar zogenaamde organische materialen zoals hout, wol, leer, gewei en been vergaan doorgaans volledig. Zeker in Limburg. De oorzaak hiervan is dat organische materialen enkel goed bewaard blijven in kalkrijke grond. Maar de grond in Zuid-Limburg is door de tijd heen sterk ontkalkt, en dus zijn de ‘conserveringsvoorwaarden’ zeer slecht.

Werktuigen, kleding en andere gebruiksvoorwerpen die van organische materialen gemaakt werden, vinden archeologen dus niet tot nauwelijks terug. Tegelijkertijd weten we natuurlijk wel dat ze er geweest moeten zijn. Soms zijn er wel indirecte bewijzen die iets vertellen over het gebruik van deze materialen.
Aardewerk blijft over het algemeen goed bewaard in de (Limburgse) grond. Meestal wel in duizenden stukjes...
Hout blijft in de Limburgse grond niet tot nauwelijks tot niet bewaard.