Eten uit het wild
Hoewel de Bandkeramiekers het leven als jagers-verzamelaar achter zich hadden gelaten, betekende dat niet dat ze geen eten meer verzamelden en jaagden. Wilde planten werden namelijk nog steeds verzameld. Denk bijvoorbeeld aan noten (hazelnoten, eikels), bladgroenten en allerlei soorten wild fruit, zoals appeltjes, rozenbottels, bessen, aardbeien, frambozen en bramen, en allerlei soorten kruiden en medicijnplanten. Ook honing zal men verzameld hebben. Door het verzamelen van deze wilde planten konden de Bandkeramiekers hun menukaart uitbreiden met extra vitaminen, mineralen en smaakmakers.

Hazelnoten, gedroogde appels en paddenstoelen konden ook als wintervoorraad bewaard worden.

Ook de visvangst speelde een rol bij de voedselvoorziening. De Bandkeramiekers vingen onder andere snoek, forel, rivierbaars, karper en voorn. Voor het vangen van de vis hebben ze waarschijnlijk netten gebruikt en hengels. De vondst van vishaakjes van bot is bewijs hiervoor. De vondst van een harpoen wijst ook op het gebruik daarvan.

Er werd gejaagd op edelherten, wilde zwijnen, reeën, oerossen en marters. Ook das, beer en bever zullen bejaagd zijn, maar met name voor hun huid.

Waarschijnlijk wonnen de Bandkeramiekers ook zout.
Bandkeramische vishaakjes, gevonden in Slowakije.
Bron: Pavúk, 1994