Vlees
Het menu van de Bandkeramiekers bestond naast 65% granen en andere veldgewassen uit 35% vlees. Doordat deze eerste boeren verschillende diersoorten hadden gedomesticeerd, hadden ze constant voldoende vlees.

Archeologen hebben aangetoond dat de Bandkeramiekers deze dieren hielden:
  • Koeien (& ossen)
  • Schapen
  • Geiten
  • Zwijntjes
Runderen kwamen in de vrije natuur voor in West-Europa in die tijd, dus de kans is groot dat ze een deel van die wilde dieren gedomesticeerd hebben. Schapen en gieten kwamen echter niet voor in postglaciaal West-Europa , die zijn dus geïmporteerd/meegenomen uit het Midden-Oosten.

Archeologen hebben aangetoond dat stieren al in de Bandkeramiek gecastreerd werden. De ossen werden waarschijnlijk gebruikt bij het ploegen van de akkers en wellicht ook om boomstammen uit het bos naar de nederzetting te slepen.

Het Bandkeramische vee werd (’s nachts / in de winter) niet ín de boerderij gestald. Was dat wel het geval geweest, dan zouden daarvan chemische sporen (namelijk een verhoogd fosfaatgehalte) zijn achtergebleven in de bodem. Maar dat is niet het. De dieren werden dus buiten gehouden. Overdag zullen ze zijn gehoed en ’s nachts werden ze in een veekraal gedreven.

Het vee uit die tijd was kleiner als tegenwoordig: stieren hadden een schofthoogte van 1,50 m en koeien van 1,30 m. Van de 400 kg die een koe woog, was 200 kg vlees en vet eetbaar. Om te voldoen aan de 35% vlees, moesten voor een dorp van 50 inwoners per jaar 17 koeien worden geslacht. Om te zorgen voor een duurzame kudde moest die bestaan uit ca. 100 dieren.

Het vinden van voldoende voedsel voor zo’n kudde zal niet meegevallen zijn. Elke koe had 1,5 hectare ruimte nodig, in totaal dus 150 hectare. 100% Grasland zoals wij dat kennen was er nog niet. Koeien moesten hun eten vooral bij elkaar scharrelen in het bos.

Om uitputting van de gronden rondom de nederzetting tegen te gaan, zullen de Bandkeramiekers hun vee in de zomerperiode naar verder weg gelegen weiden hebben geleid. In Midden- & Noord-Limburg zijn diverse Bandkeramische vondsten gedaan, echter niet van dorpen en huizen. Archeologen denken daarom dat de boeren die rond de Graetheide en bij Maastricht woonden ’s zomers hun kudden weidden in Noord- & Midden-Limburg.

De dierenbotten die archeologen in afvalkuilen vinden zijn voor 90% van hun vee afkomstig en slechts voor 10% van wilde diersoorten (56), zoals edelherten, wilde zwijnen, reeën, oerossen en marters. Men jaagde dus wel nog, maar de jacht vormde slechts een kleine aanvulling op het dagelijks menu.

Dieren werden in de eerste plaats als voedingsmiddel gebruikt, maar waren ook belangrijke leveranciers van vellen, huiden, botten en hoorns. Van vellen en huiden zal onder andere kleding zijn gemaakt. Van botten en hoorns allerlei werktuigen.

Waarschijnlijk waren de Bandkeramiekers wel nog lactose-intolerant waren, met andere woorden: verse melk konden ze nog niet verdragen. Mogelijk hebben ze de melk wel gekookt en daarna gebruikt als voedingsmiddel. Of zelfs kaas en yoghurt gemaakt, dat konden ze wel verdragen.