Onderzoek naar de Bandkeramiekers
Aan het einde van de 19de eeuw werd de Bandkeramiek voor het eerst gedefinieerd als een afzonderlijke archeologische periode. In 1925 werd in Nederland de eerste Bandkeramische vondst gedaan op de Caberg in Maastricht.

In de volgende jaren doken overal in Zuid-Limburg Bandkeramische vondsten op: in Beek (door vader en zoon Beckers), in Geleen, in Sittard, in Stein en in Elsloo. Bekende onderzoekers uit die tijd waren vader en zoon Beckers uit Beek, pastoor Kengen uit Maastricht en de Nederlandse archeologen Holwerda, Busch en Remouchamps.

In de jaren ’50, ’60 en ‘70 beleefde het onderzoek naar de Bandkeramiek zijn hoogtijdagen: als gevolg van de grote naoorlogse stadsuitbreidingen vonden op veel plekken grootschalige archeologische onderzoeken plaats. In die periode werd onder andere het Bandkeramische dorp en het grafveld van Elsloo opgegraven. Namen van opgravers uit deze periode zijn professor Modderman en pater Munsters.

Daarna werd het even stil, maar in de jaren ’90 werden weer nieuwe grote vondsten gedaan zoals bijvoorbeeld op het Janskamperveld in Geleen, waar een bijna complete Bandkeramische nederzetting werd opgegraven.

Vanaf 2000 zijn er ook behoorlijk wat vondsten gedaan, hoewel niet meer zo groot als voorheen. De tijd van de grootschalige opgravingen is in principe voorbij. Archeologen zijn nu meestal aangewezen op kleine opgravingen als gevolg van stedelijke inbreidingsprojecten.

Overigens: dit overzicht betreft alleen het onderzoek naar de Bandkeramiek in Nederland. In de rest van Noordwest-Europa hebben vele archeologen in de afgelopen eeuw ook vele opgravingen gedaan.
Opgravingsverslag van de eerste vondst in 1925.
Dokter Beckers senior in zijn museum.
Pater Munsters en professor Modderman