Van hutkom naar boerderij
De eerste archeologen die onderzoek deden naar de Bandkeramiek dachten dat de Bandkeramiekers mensen in zogenaamde ‘hutkommen’ woonden: overdekte hutten die half in de grond lagen. Ze vonden namelijk sporen van grote kuilen bezaaid met afval.

In Beek dacht dr. Beckers in 1933 de resten van twee van dit soort hutten te hebben gevonden bij een opgraving bij de bouw van het Franciscanerklooster.

Wat deze archeologen bij de opgravingen niet opmerkten was dat er naast de grote kuilsporen ook een heleboel kleine grondverkleuringen te zien waren.

Latere archeologen zagen die kleinere grondverkleuringen wel en realiseerden zich dat dat de resten waren van houten palen. De Bandkeramiekers hadden dus helemaal niet in hutkommen gewoond, maar in echte gebouwen, in boerderijen. De kuilen die men vond waren leemkuilen (voor het dichtsmeren van de muren), die later als afvalkuilen werden gebruikt.
Impressietekening van een hutkom
Copyright: Mosasaurusfilm

In bruin: de kuilen naast de huizen die verkeerd werden geïnterpreteerd als hutkommen.