De wereld van de Bandkeramiekers
De wereld waarin de Bandkeramiekers terecht kwamen was er een van bossen. Onmetelijke, zich naar alle windhoeken uitstrekkende oerbossen. In die bossen groeiden vooral linde (Tilia) en in mindere mate eik (Quercus), hazelaar (Corylus), es (Fraxinus) en iep (Ulmus).

Het Limburgse landschap was 7.000 jaar geleden - in een periode die het Atlanticum wordt genoemd - nog volledig ongerept. De natuur had vrij spel. Een immens verschil met het heden dus. Dat was ook logisch: de jagers-verzamelaars trokken door het landschap. Hun ecologische voetstap – om in huidige termen te spreken – was minimaal.
Archeoloog Ivo van Wijk van Archol vertelt over het landschap dat de Bandkeramiekers 7000 jaar geleden in Limburg aantroffen.
Met de opkomst van de landbouwers veranderde dat voor het eerst in de geschiedenis: de boeren gingen het landschap naar hun hand zetten. Ze kapten stukken bos weg om er akkers aan te leggen en hun huizen op te bouwen. Hun vee vrat allerlei groen, zoals jonge bomen en lage struiken. Ten opzichte van het heden was de invloed van de bandkeramische boeren op het landschap nog heel klein, maar het begin was wel gemaakt: vanaf dat moment was het landschap niet meer iets waar je door heen trok, maar iets wat je veranderde naar je eigen wensen.
Impressie van een Bandkeramisch dorp op de Cannerberg in Maastricht.
Copyright: Mikko Kriek / BCL Archaeological Support & Rijksmuseum van Oudheden