Een sigaar uit Beekse doos
De sigarenindustrie is zo’n 100 jaar lang de belangrijkste industrietak geweest van de gemeente Beek. Een eeuw geleden werkten er honderden mensen in de sigarenfabrieken en – werkplaatsen in Beek.

Sigaren werden in eerste instantie aangevoerd uit de landen waar de tabaksplant groeit: het Carabisch gebied en de Verenigde Staten. Vanaf begin 18e eeuw werden sigaren ook in Europa gemaakt, eerste in Spanje, later in Frankrijk, Duitsland en Engeland, en vanaf ca. 1850 eeuw ook in Nederland. In eerste instantie gebeurde dat nog in kleine bedrijfjes die vooral produceerden voor de lokale markt, omdat een efficiënt verkoop- en distributiesysteem ontbrak. Richting het einde van de 19e eeuw werden de kleine werkplaatsen langzaam fabrieken en nam het productievolume toe. Belangrijke centra voor de tabaksindustrie waren onder andere Amsterdam, Den Haag, Kampen, Veenendaal, Eindhoven (‘la villa fumée’) en de Brabantse Kempen.

In Beek ontstond in deze tijd ook een sigarenindustrie. Deze behoorde niet tot de belangrijkste in het land, maar had door de afstand tot het midden en noorden van het land toch voldoende bestaansrecht. Voordeel van Beek was dat de lonen er lager waren dan elders, waardoor de productiekosten konden worden teruggebracht.

De Beekse sigarenindustrie nam een aanvang in het jaar 1867 toen Eugène Hennekens in een schuurtje achter zijn pand aan het Wolfeijnde begon met de handmatige productie van sigaren. Het bleek een gouden greep getuige de navolging die hij in de decennia erna kreeg en ervoor zorgde dat zich langs de as Maastrichterlaan-Wolfeijnde-Prins Mauritslaan een ware sigaren- en tabaksboulevard ontstond.

Rond 1900 werkten ruim 350 mensen, waarvan 80% uit Beek – in de sigarenindustrie. Werken in de sigarenfabrieken was mede populair omdat de lonen er ongeveer 30% hoger lagen dan in de overige plaatselijke ’industrieën’, zoals de leerlooierijen en brouwerijen. Bovendien was het lichamelijk geen zwaar werk, ook dat was elders wel vaak anders.

De periode tussen 1900 en 1920 was de bloeiperiode van de Beekse sigarenindustrie. De crisis van de jaren ’20 had echter flinke werkeloosheid tot gevolg onder de sigarenmakers. Velen gingen in de mijnen werken.

Na een opleving in de jaren ‘30 brak vanaf de jaren ’40 gaandeweg het einde aan de van de Beekse sigarenindustrie. Niet alleen liep het aantal rokers sterk terug na de Tweede Wereldoorlog. Ook blijken de Beekse fabrieken op dat moment allemaal te laat of niet kapitaalkrachtig genoeg om de overgang te maken naar een mechanisatie van hun fabrieken. Daarmee misten ze de boot. De één na de andere fabriek sloot haar deuren.

De oudste fabriek – inmiddels herdoopt tot ‘Firma Wed. Eug. Hennekens’ ging dicht in 1954. 10 Jaar later – in 1964 – hield ook Tabaksfabriek De Morgen er als allerlaatste Beekse sigarenfabriek mee op. Op 3 jaar na heeft de Beekse sigarenindustrie een eeuw bestaan. Wat ooit een bloeiende industrie was in Beek was inmiddels ingehaald door de tijd.
 
De tabaksplunt (Nicotiana tabacum)

De Beekse sigarenfabrieken op een rij
De 4 belangrijkste Beekse sigarenfabrieken waren:
Andere fabrieken waren:
  • Stoom- en tabaksspinnerij V. Balma, 1901-1920
  • Sigarenfabriek Jos Lemmens & zn, 1905-1941
  • Firma Reinier Maassen 1907-1941
  • Tabaksfabriek De Morgen, 1910-1964
  • Sigarenfabriek Jan Paes, 1915-1939
  • Sigarenfabriek Gebr. Bouwens, 1929-1956
  • Sigarenfabriek gebroeders Spronken, 1919-1963
  • Sigarenfabriek Sanders & Co, 1934-1956