Dit artikel is gebaseerd op informatie uit de publicatie 'Zuivel: geschiedenis en inventarisatie van de zuivelfabrieken in Limburg' van de hand van industrieel historicus Serge Langeweg ( Stichting Werkgroep Industrieel Erfgoed Limburg, 2012).
Melkfabrieken
Melk is net als fruit een product dat snel bederft, tenzij je het door verwerking tot bijvoorbeeld boter, kaas of yoghurt langer houdbaar weet te maken.

De oorsprong van de zuivelfabricage heeft zijn oorsprong op de boerderij, waar de boerin zelf de verse melk tot boter verwerkte. Hiervoor werd enkel de melk van de eigen koeien (vaak maar een paar) gebruikt. De boter was zowel voor eigen gebruik als werd bij de plaatselijke kruidenier geruild tegen andere levensmiddelen.

Rond 1880 ontstond er een enorme landbouwcrisis in Nederland door de aanvoer van spotgoedkoop graan uit de VS, Rusland en Argentinië. Boeren, ook in Limburg, schakelden massaal over van akkerbouw op veeteelt. Daardoor was er opeens veel meer melk voorhanden. Overschakeling van thuisproductie naar fabrieksmatige productie was noodzakelijk.
De Melkfabriek Sint-Martinus in de Hoolstraat
De eerste zuivelfabriekjes waren nog zeer kleinschalig en lokaal georiënteerd. Elk dorp had zijn eigen fabriekje, waar – uitzonderingen daargelaten - de gebruikte apparatuur nog met de hand werd bediend. Dit waren vaak coöperatieve bedrijven omdat de investering voor individuele boeren veel te hoog waren. Samen werd dus (lokaal) geïnvesteerd in een pand en apparatuur.

Vanaf circa 1910 werd de overstap van handkracht- naar stoomkrachtfabrieken. Niet alleen kon de productie daardoor worden opgevoerd, ook kon de melk door de aanwezigheid van stoom worden gepasteuriseerd, waardoor schadelijke bacteriën werden gedood en het eindproduct van betere kwaliteit was. Hierdoor ontstond melk die geschikt was voor consumptiemelk. Vanaf de jaren ’30 nam het zuivelassortiment met allerlei (toen nog luxe-)producten als slagroom, yoghurt, chocolademelk , vla/pudding en consumptie-ijs.

Door schaalvergroting moesten inmiddels echter ook al de eerste fabrieken hun deuren sluiten. Dit proces zou duren tot na de Tweede Wereldoorlog. Inmiddels is er in Limburg geen enkele zuivelfabriek meer over.
Melkfabrieken in Beek

Beek heeft twee zuivelfabrieken gehad. In 1929 werd er in Beek meer dan 2,5 miljoen kg melk verwerkt.
 

  1. De ‘Coöperatieve Zuivelfabriek Sint-Martinus’ ontstond in 1919 na een fusie van een aantal oudere fabrieken, waaronder de Weidebloem (opgericht 1899, gelegen aan Dorpsstraat). In 1939 bedroeg de boterproductie 42.000 kg. In de begintijd werd er 800.000 liter melk verwerkt per jaar, dat groeide later tot 15 miljoen liter. De fabriek werd in 1968 gesloten. Van het pand dat in de Hoolstraat lag is niets bewaard gebleven.
  2.  
  3. In het pand Hubertusstraat 26 in Groot-Genhout was tussen 1901 en 1921 de ‘Coöperatieve Melkfabriek Sint-Lucia’ gevestigd. Deze fabriek is een mooi voorbeeld van kleinschalige boterfabricage. In 1919 telde de coöperatie 62 leden met 152 koeien, die samen 10.291 kg boter produceerden.
 
Het pand waarin de Coöperatieve Melkfabriek Sint-Lucia gevestigd was.
Bron: Zuivel: geschiedenis en inventarisatie van de zuivelfabrieken in Limburg.