De beken van Beek
Beek is (natuurlijk) vernoemd naar de Keutelbeek, die vroeger als open beek door de kern van het dorp liep, maar nu grotendeels is overkluisd. Je zou wellicht denken dat het voorvoegsel ‘keutel-’ het gevolg is van het feit dat de beek nu voor een belangrijk deel onderdeel is van het rioleringssysteem van de gemeente, maar dat is niet zo: ‘keutel’ betekent in dit geval klein. De Keutelbeek was (en is) namelijk een beek die niet heel veel water voerde.

De Keutelbeek ontspringt in de hellingen van het Kelmonderbos en loopt via Geverik naar kasteel Genbroek. Vanaf dat punt was de beek tot voor kort volledig overkluisd tot aan monding in de Geleenbeek, maar momenteel wordt die overkluizing fasegewijs weer ongedaan gemaakt.

Dat er al sinds mensenheugenis (en zelfs ver daarvoor) mensen in de nabijheid van de Keutelbeek zijn gaan wonen bewijzen wel de vele archeologische vondsten die hier zijn gedaan. De Bandkeramiekers bouwden zo’n 7.000 jaar geleden hun nederzettingen al langs deze beek.

Ook Neerbeek is vernoemd naar de Keutelbeek. Dit dorp lag ‘neer’ oftewel ‘stroomafwaarts’ ten opzicht van Beek, dat altijd de belangrijkste bewoningskern is geweest. Vandaar ‘Neerbeek’.

Je zou wellicht verwachten dat ook Spaubeek vernoemd is naar de Keutelbeek, maar dat is niet het geval. Spaubeek is vernoemd naar het Hoogbeesken, dat even ten oosten van de kern parallel aan de Dorpstraat loopt en in de volksmond ook wel de Sjpaubèèk wordt genoemd.
 
Zowel de Keutelbeek als de Sjpaubèèk mondt uit in de Geleenbeek.
De nog niet overkluisde Keutelbeek.
Bron: www.waterleeftinbeek.nl

In de tijd van de Bandkeramiek lagen bijna alle nederzettingen op het grondgebied van Beek langs de Keutelbeek.
Copyright: Mikko Kriek / BCL Archaeological Support