Bron
Deze pagina is grotendeels gebaseerd op het artikel ‘Het historisch landschap rond Beek in kaart gebracht’, dat in twee delen verscheen in Becha, jaargang 4, nr 3 en nr 4.
Waar bouw ik mijn boerderij?
Als een boer in de Middeleeuwen een plek zocht om zijn boerderij te bouwen dan moest die plek voldoen aan drie voorwaarden:
  1. Er moest water in de buurt zijn
  2. Er moest vruchtbare landbouwgrond in de buurt zijn
  3. Er moesten goede graslanden aanwezig zijn voor je vee
De meeste gunstige vestigingsplaatsen lagen op de grens van bouw- en weiland (waarbij het weiland zowel de natte graslanden in de dalen kon betreffen als de hoger gelegen bos- en heidegebieden). Door op de grens van bouw- en weiland te gaan wonen verminderde een boer namelijk de loopafstanden die hij moest afleggen met vee, mest, zaad en oogst tot een minimum.

In grote delen van Zuid-Limburg werd voldaan aan die voorwaarden. Ook in Beek. Vooral het Maasdal en de randen van de beekdalen combineerden deze drie vestigingseisen. Bovendien waren de randen van de beekdalen de meest logische transportroutes.

Je vestigen op de (löss)plateaus was iets lastiger, omdat de drinkwatervoorziening voor mens en dier hier problemen kon geven. Daar werden dan ook waar nodig en mogelijk putten geslagen. Een toponiem als Putveld langs de Putweg herinnert daar nog aan.

De beekdalen zelf werden het liefst gemeden voor bebouwing vanwege de vaak drassige grond en kans op overstromingen. Hier lagen slechts kastelen (die het water goed konden gebruiken voor een gracht!) en watermolens: kasteel Sint-Jansgeleen en de Sint-Jansmolen, Huis Ten Dijcken en Genbroek. Overigens viel het met overstromingsgevaar van de Beekse Keutelbeek wel mee, aangezien dit een relatief bescheiden beekje was.