Bron
Voor dit artikel is onder andere gebruik gemaakt van de publicatie 'Genhout. Van “Hoochlant” tot Parochiegemeenschap' (deel 12 van de serie: 'Wat Baek ós bud')

Genhout
Wanneer Genhout precies is ontstaan is niet helemaal duidelijk, maar het is in ieder geval geweest tijdens de grote ontginningen, die tussen het jaar 1000 en 1300 het Zuid-Limburgse landschap drastisch veranderden. In die eeuwen werden in heel Zuid-Limburg de dalen en plateaus ontgonnen, en in die volgorde: eerst de vruchtbare gronden in het Maasdal en de beekdalen, daarna pas de gronden op de plateaus. Genhout ligt als enige van de Beekse kernen op het plateau van Schimmert.

De naam van Genhout herinnert daar nog aan: het achtervoegsel ‘–hout’ in een plaatsnaam duidt altijd op een nederzetting die is ontstaan in een bosontginning. Zo’n nederzetting werd simpelweg ‘Hout’ of ‘Genhout’ (= het bos) genoemd.

Overigens werd de nederzetting eerst (in hedendaags Nederlands) ‘Hoogland’ genoemd. In 1439 vermelden de archieven ‘Op ’t Holant’, circa 1485 ‘Hoichlant’ en in 1550 ‘Hoochlant’. Dat duidt op een duidelijke relatie met de kern van Beek: Genhout lag ‘hoog’ op het plateau ten opzicht van Beek.

Tussen 1485 en 1550 is er in de archieven ook sprake van onder andere Hou(y)t, Cleyn(en)hou(y)t en Groitenhou(y)t. Waarschijnlijk zijn in deze periode de namen Groot-Genhout en Klein-Genhout ontstaan en is Klein-Genhout ook ontstaan als gehucht naast Groot-Genhout. De namen ‘Hoogland’ en ‘Genhout’ zijn dus een tijdje tegelijkertijd in gebruik geweest.

De beide Printhagenerhoven hebben een belangrijke rol gespeeld tijdens de ontginningen.

Groot- en Klein-Genhout zijn nu kernen waar voornamelijk gewoond wordt. Tot enkele decennia geleden waren het vooral landbouwgemeenschappen. Bij een inventarisatie uit 1723 waren er 54 gezinshoofden woonachtig, waarvan er 24 landbouwer waren, 7 wolspinner, 4 wever, 2 timmerman, 2 hoefsmeden en 2 brouwer. Verder woonden en werkten er nog een metselaar, een winkelier, een lampenmaker, een brandewijnstoker, een landmeter, een dienstknecht, een schoenmaker, een herder en een veldwachter. De helft was dus boer, de andere helft had andersoortige beroepen. Hoewel deze inventarisatie de situatie in 1723 weergeeft, zal het een hele goede afspiegeling zijn van de situatie die eeuwenlang bestaan heeft.
Genhout op de Tranchotkaart, die begin 19e eeuw is gemaakt. De situatie in de Middeleeuwen zal echter niet heel veel anders zijn geweest.

De typische Maaslandse gevel van Hoeve Vrencken (de Benedenste Hof).
Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed