Bron
Voor dit artikel is onder andere gebruik gemaakt van de publicatie 'Geverik en Willem Tell' (deel 10 van ‘Wat Baek ós bud’) 
Geverik
Geverik wordt in de archieven voor het eerst genoemd in het jaar 1271 als ‘Gheverich’. In een oorkonde is dan sprake van een zeker Arnulvus van Gheverich, die waarschijnlijk op een voorganger van de Geverikerhoeve (Hoeve Corten) heeft gewoond. Waarschijnlijk is die hoeve ook de oorsprong van het buurtschap Geverik. Rondom die hoeve ontstond mettertijd het huidige gehucht.

Voor de naam ‘Geverik’ hebben historici twee verklaringen ontwikkeld:
  1. Volgens de eerste zou de naam Geverik teruggaan op het Gallo-Romeinse ‘Gabriacum’ en ‘geitenweide’ betekenen. De naam zou dan zijn afgeleid van het Latijnse woord voor geit: 'cabra'. Let in dit kader ook op de overeenkomst tussen ‘Gever-’ en het Franse woord voor geit: ‘chèvre’.
  2. Volgens de tweede verklaring is ‘Geverik’ afgeleid van het woord ‘Gaver’, dat ‘vochtig land’ betekent. 
Helaas weten we niet zo heel veel over Geverik in de Middeleeuwen. Een eerste bron die ons iets vertelt over het aantal inwoners van de buurtschap dateert uit 1723-1725 toen Geverik 34 gezinshoofden had: 10 landbouwers, 11 ‘bouwerkers’, 4 wevers, 3 slotenmakers, 1 schoenmaker, 1 ‘snijder’, 1 dienstknecht, 1 schepen en 1 veldwachter. Hoewel dit ruim twee eeuwen is na het einde van de Middeleeuwen zal er in die tijd waarschijnlijk niet zo heel veel veranderd zijn: Geverik was in de Middeleeuwen en tot lang erna een agrarische gemeenschap.

Aan het noordelijke uiteinde van Geverik ligt kasteel Genbroek
Geverik op de Tranchotkaart, die begin 19e eeuw is gemaakt. De situatie in de Middeleeuwen zal echter niet heel veel anders zijn geweest.